Zouden er speciale scholen bestaan als de DSM niet had bestaan?

Het was psychiater Jim van Os - in 2008 door zijn collega's benoemd tot toppsychiater - die mij positief triggerde in een uitzending van Een Vandaag afgelopen mei. Hij sprak zijn teleurstelling uit over de nieuwste uitgave van de DSMDe eerste versie – in 1952 – maakte slechts melding van een aantal diagnoses. Deze laatste versie is dikker dan ooit. Wat zegt dat over onze maatschappij en ons mensbeeld? En wat betekent dat voor onze 'kijk' op onderwijs?

"Het systeem is een boek geworden, van ziektelabels die komen en gaan. En dat is geen goed systeem om psychische aandoeningen te beschrijven."

Hij breekt (voor mij) hiermee een lans voor het sociaal- en burgerschapsmodel en lijkt het ‘medisch model denken’ achter zich te laten. Zijn uitspraak aan het einde van de uitzending doet dit sterk vermoeden: "Je wordt pas beter van een psychische aandoening als je er zelf actief mee aan de slag gaat en je eigen kracht weer gaat zoeken, dat is het model waar we naartoe moeten"

Ooit was het Ros Blackburn die vertelde over haar jeugd, opvoeding en moeder, die op haar beurt de woorden sprak: “Never make autism an excuse but overcome problems en difficulties caused by it.

Het overwinnen van moeilijkheden start bij jezelf, je ‘eigen kracht’ zoals Van Os het noemt, je talenten en mogelijkheden, het vinden ervan en de belangrijke rol die ook de omgeving daarbij speelt.

Over de rol van de omgeving vertelt Jan Verhaegh in dezelfde uitzending heel kort iets vanuit zijn biografisch verleden. Over hoe er naar hem werd gekeken, het belang van zijn vrouw, over de hulp die hij nu heeft en de onzekerheid waarin hij wordt achtergelaten.

Ik neem aan dat niemand zich als ‘een nummertje’ wil voelen. Hij raakt de kern met zijn opmerking… Het gaat om de mens als geheel!

"Het probleem is dat als je normaal intelligent bent, of als je universiteit gedaan hebt of gepromoveerd bent, dat het voor mensen in de beeldvorming heel erg moeilijk is om te zien en te begrijpen dat je tegelijkertijd ook gehandicapt bent."

‘Beeldvorming’ en ‘begrip’ zijn voor mij de meest essentiële woorden in de uitspraak van Verhaegh. Als je vasthoudt aan je eigen beeldvorming kan er ook geen begrip ontstaan. Naast luisteren zal je ook eerst zelf goed in de spiegel dienen te kijken om te weten te komen wie je zelf werkelijk bent. Met alles wat daarbij hoort; welbevinden, waarden, hoe alles voor jezelf ‘werkt’, kwetsbaar durven opstellen en ga maar door. Pas dan kan je jezelf echt verhouden tot de ander en perspectief nemen.

Psychiater/filosoof Alan Raltson (1967) beziet het ontstaan van de DSM (1952) als een spiegel van ontwikkeling in de maatschappij: "Het is gewoon een reflectie van wat 'wij' vinden, wat tot het territorium hoort van de psychiatrie."

Maar als je de eerste DSM’s zo kan zien, kun je de huidige versie dan ook zo zien? Heeft Jim van Os gelijk over het ‘komen en gaan’? En als het een spiegel is, zien we dan allemaal wel hetzelfde? Praten we er niet veel te veel over in plaats van dat er echte duurzame acties ontstaan? Als zelfs de paus over het onderwerp ‘homohuwelijk’ durft te spreken - homoseksualiteit dat ooit in de DSM stond - wat voor ontwikkeling maken we dan door? Is de DSM een wereldwijd consent voor hulpverleners? Willen we met z’n allen een ‘passief medisch model’ zoals Van Os vertelt? Of blijkt de DSM alleen een sleutel voor zorgverzekeraars te zijn? Vaart de DSM op de economie? Of houdt de economie het systeem juist in stand?

Ik blijf me afvragen hoe het ooit begonnen is. Was het niet zo dat de American Psychiatric Association in 1844 zich juist inzette voor de ware belangen van de cliënt? Waren er toen niet een aantal mensen in het genootschap dat regelmatig bijeenkwam? Hoe is dat nu? Hoeveel psychiaters zijn er wel niet? Is het dan nog mogelijk of goed en individueel af te stemmen op de individuele persoon?

Schaalvergroting heeft zichzelf niet echt een dienst verleend, dat is op meerdere en andere vlakken aangetoond. Aan de andere kant ben ik ook maar een leerkracht en geen psychiater, dus kan (en misschien mag) ik eigenlijk niets over deze materie zeggen.

Toch blijft het me pakken, omdat het wel degelijk invloed heeft op mijn leven, op mijn samenleven. Maar ook mijn werk, zouden er speciale scholen bestaan als de DSM niet had bestaan? Hoe zouden we mensen die in onze ogen ‘anders’ zijn behandelen?

Een overdenking voor morgen...

Misschien vandaag al, we leven tenslotte in De Samenlevende Maatschappij!

Buiten de lijntjes kleuren...

Voor de vakantie werd ik gebeld door Joëlle Poortvliet of ik mee wilde werken aan een artikel over 'onderwijs van de toekomst' in Kader Primair (AVS). De uitspraak "Mijn doel is dat mijn beroep over 20 jaar niet meer bestaat" die ik deed tijdens - en is terug te lezen in de visuele notulen van - het 'Festival of Solutions' triggerde haar... Een leuk telefoongesprek volgde. Over hoe dat ik mijn doel wil bereiken en hoe dat er in de praktijk uit kan zien vatte zij als volgt samen:

Vorig jaar heb ik een opleiding gedaan tot autismespecialist, maar eigenlijk ben je dan nog niks. Daarmee bedoel ik: iedere persoon is anders. Het gaat er om specialist te zijn van dat ene individu, samen een leerproces aangaan. Mijn missie is om vanuit de stem van de leerling het speciaal onderwijs zo op te rekken dat het op termijn niet meer nodig is. Buiten de lijntjes kleuren. We moeten kinderen de tools mee geven om te aarden in deze maatschappij. Dat zij zelf kunnen aangeven: dit ben ik, dit kan ik en dit zijn mijn talenten. Niet alleen de focus op het negatieve, op de labels. 
Ik denk dat het overgrote deel van de so-leerkrachten is lamgeslagen door alle protocollen en regels. Ons onderwijs is heel strak vormgegeven. Neem de positionering in de klas. In het protocol voor klassenmanagement staat hoe je je leerlingen groepeert, maar voor mijn groep vond ik die opstelling op een bepaald moment niet werken en koos daarom voor een carré. Dat doe ik dan gewoon. En het werkte supergoed: de leerlingen kunnen elkaar aankijken, leren van elkaars mimiek en van de sociale interactie. 
‘Mobieltjes’ is een ander voorbeeld. Officieel moeten die in de kluis, terwijl de devices van de leerlingen over het algemeen veel sneller zijn dan de drie computers in ons lokaal. De basis is vertrouwen. En als er dan iets mis gaat, is dat een uitgelezen kans voor een les over ethiek.
Ik ben wel een luis in de pels voor onze organisatie, denk ik. Maar ik doe niks sneaky en gooi alles in de teamvergaderingen. Voorheen had ik nog geen dikke huid, de kracht om ergens te blijven en ideeën door te drukken. Nu lukt dat beter en sta ik er ook positiever in, minder cynisch. Ik houd alle ontwikkelingen bij en haal veel inspiratie uit contacten met gelijkgestemden. Onderwijsmensen die door alle sectoren heen werken en elkaar zowel on- als offline weten te vinden. Wat voor mij werkt is met de luiken open de wereld in. Niet die tunnelvisie van vijf dagen op dezelfde plek focussen.
Zoals ik voor de groep sta, zou ik zelf ook een leidinggevende willen. Iemand die voedt, die coacht en afstemt. De samenwerking met onze voormalige locatieleider was wat dat betreft heel inspirerend. Zij kon me ook inkaderen: ‘Prima dat je een carré-opstelling wilt doen, maar zet de onderbouwing eerst op papier’. Dat deed ik natuurlijk niet meteen – mijn prioriteit ligt bij de leerlingen – maar ik snap wel waarom het voor de organisatie belangrijk is. Dat ‘spel’ speelde zij heel goed.

Joeri doet een stapje terug en bezoekt eerst de Turkse kapper…

Maatschappijleer, het onderwerp multiculturele samenleving. Dat in een klas jongeren waarvan ik weet dat het merendeel een uitgesproken mening heeft een hele uitdaging. De leerlingen in deze klas doen uitspraken waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt en/of rekening wordt gehouden met achtergrond of cultuur. Het is zo'n groep waar wel eens een opstootje is  en ‘het algemeen argument’ is geboren. Het is zo'n sfeer waarin iemand gemakkelijk wordt nagepraat, waar het populisme makkelijk wortel schiet.

Ik besluit deze klas een uitdaging te geven en direct is er aandacht: negatieve, generaliserende opmerkingen mogen alleen in vraagvorm worden gedeeld, zodat we met elkaar in debat kunnen. Onderwerp van gesprek ‘ hangjongeren’. Al snel gaat het over jongeren van Turkse en Marokkaanse achtergrond. De uitdaging blijkt moeilijker dan gedacht. Blijkbaar moet er eerst een hoop 'oud zeer' uit.  Op het moment dat de leerlingen zijn  ‘uitgeraasd’, stel ik een vraag: Wat maakt dat iedereen zo op de verschillen zit?

Na een korte stilte en samenvatting van dat wat is verteld, maken de verhalen langzaam plaats voor vragen. Wat is nodig om de jongeren in de gevangenis te helpen; vragen over de hoogte van de straf;  maar er komen zelfs vragen over wat een leerling die was lastig gevallen zou kunnen doen als hij wéér lastig gevallen zou worden.

Wat ontstaat is een bijzonder debat: over groepsvorming, interactie binnen groepen, machtsverhoudingen, ‘stomme’ acties, de zin en onzin van straffen en wat nodig zou zijn om jongeren uit gevangenissen te integreren in de samenleving. Het is prachtig om te ervaren hoe zij de onderwerpen met elkaar bespreken. Ik krijg de ruimte om te observeren, te genieten!

Op een bepaald moment valt mijn oog op Joeri, doorgaans een jongen met een sterke en duidelijke mening. Hij is  een rapper in de dop en probeert zich middels open podia en jongerenwedstrijden in de kijker te spelen. In de klas is hij altijd aanwezig, zeker (of misschien wel juist) tijdens maatschappelijke onderwerpen. Maar nu is hij stil. Wat houdt hem tegen?

Op het moment dat het debat tegen het einde loopt, komt het moment om af te stemmen. Joeri zegt een prangende vraag te hebben, maar deze niet in de groep te willen stellen. Morgen - zo belooft hij - zal hij de vraag én het antwoord meenemen. Zijn glimlach en twinkeling in de ogen maakt iedereen nieuwsgierig…

De volgende dag komt Joeri de klas binnen. Het eerste wat opvalt is dat hij naar de kapper is geweest. Als ik er naar vraag, kijkt hij trots en zegt alleen ‘Ja!’ Weer zie ik die glimlach verschijnen. Als we verder gaan met het gesprek waar we een dag eerder gestopt zijn, steekt hij  als eerste zijn vinger op.

"Iedereen had het gisteren over wat er allemaal veranderd moest worden, mijn vraag was: 'Hoe kan het dat die jongeren buiten hangen en voor problemen gaan zorgen?' Ik had deze vraag wel kunnen stellen, maar als jullie er ook niet over beginnen, lijkt  het me sterk dat jullie er een antwoord op zouden weten. Daarnaast zijn jullie allemaal Nederlanders. Daarom besloot ik gisteren om naar een Turkse kapper te gaan en daar de vraag te stellen!"

Met open mond en vragende ogen kijk ik hem vol bewondering aan. Hij zet zijn lef en 'naïviteit' in om naar de bron te gaan. Midden in de samenleving, bij een kapper, het contact aangaan met iemand die naast hem in de stoel zat!! En deze man - zo rond de veertig dacht hij - weet hem te vertellen dat het in de cultuur zit ingebakken; dat de vrouw, ofwel de moeder, voor het huishouden zorgt en dat de man aan het werk is. En dat zou betekenen dat de zorg voor en vooral ‘het letten op’ de kinderen lastig(er) zou zijn. En ja, dan zoek je je vrienden op en ga je op straat hangen…

De klas is doodstil en luistert geboeid naar wat Joeri inbrengt. Heel langzaam komen er nieuwe vragen: Voelen jongeren, met een andere achtergrond dan de Nederlandse, zich eigenlijk wel welkom? Met deze vraag en alle vragen die eruit voortkomen, wordt het doel van de les overstegen. Enige tijd later is een andere leerling zó geïnspireerd dat hij een werkstuk over hetzelfde onderwerp maakt. En naar verloop van tijd constateer ik dat er in deze klas nauwelijks meer (voor)oordelen worden uitgesproken.

Joeri maakte een verschil! Hij was degene die een stapje terug deed, zijn vraag overdacht en zijn oor bij een ander te luister legde, in dit geval bij de Turkse kapper! Hij gaf daarmee het gehele thema een verrassende wending en schiep ruimte. In plaats van op de verschillen te gaan zitten en meningen te ventileren, wordt met 'vragen stellen' een weg ingeslagen naar begrip en (indirect) oplossingen over maatschappelijke kwesties.

Swag, Joeri!

Over uitsluiten gesproken #1

Je zult er maar zitten, op een speciale school én in een ongewone klas met ander ‘soortgelijke’ gelabelde klasgenoten. Je wordt elke ochtend opgepikt. Met een taxibusje. In de grote stad of de wijde omgeving. Elke dag. Gebracht en gehaald.

Tegenwoordig is dat busje vaak  wit. Die staat dan, ruim voordat de school begint, voor de deur te wachten met draaiende motor. Dan maak je een rondje, iedere dag hetzelfde. En elke ochtend zie je ze weer: die schreeuwende moeder met haar kind dat niet de bus in wil. Soms brengt een ‘verdwaalde’ ouder je naar school. Is de school niet te ver weg, is het veilig genoeg, dan mag je op de fiets. Dag-in dag-uit ‘zeul’ je met die zware tas op je rug waar niets uit gaat, maar waar alleen maar extra bagage wordt ingestopt.

Iedere ochtend - zo vroeg. Geen rekening gehouden met je bioritme, in een overvolle, stinkende taxi met allemaal ‘ongewone’ mensenkinderen. Zonder mp3-speler of DS irriteer je jezelf aan al die geluiden en ‘prikkels’ om je heen. Want ja, je moet naar school!

Uiteindelijk kom je dan aan bij een afgelegen schooltje, diep weggestopt in een kraakpand in een achterstandsbuurt. Je wordt verwelkomd en ingesloten door een enthousiast team van leerkrachten die jou probeert te empoweren en te overladen met - vooral - kennis zodat je uiteindelijk, zo is de verwachting zeggen de kwaliteitskaarten, in het gewone onderwijs verder kan.

Perspectief noemen ze dat. En soms, heel soms kom je thuis te zitten…
Maar er is ‘hoop’. En die lijkt dichterbij dan ooit: de aparte klas voor de leerling met specifiek label. Ik lees een artikel in Het Parool en YES! zou je kunnen denken. Er wordt meegedacht met een bepaalde doelgroep.

De vraag is echter of deze aparte klas wel zo nieuw is!? Op verschillende scholen in verscheidene landen wordt al gewerkt met aparte klassen.

Ga eens naar Eindhoven, daar is een ‘inclusieve’ school met een speciale vuursteenklas. De bijzondere leerlingen in deze bijzondere klas krijgen een eigen lokaal met juf (of meester), waarna ze op gezette tijden ook weer instromen in ‘gewone’ groepen.

In dit Parool-artikel gaat het specifiek over leerlingen met een andere cognitieve stijl, een stijl waar zaken als (er zijn er meer, zie de verklaringsmodellen) communicatie, sociale interactie en (niet te onder-/overschatten) sensorische waarnemingen echt wezenlijk anders kunnen verlopen.

Maakt ze dat speciaal? 
Maakt ze dat als mens anders? 
Waar zitten de overeenkomsten? 
Wordt er echt begrepen waarom ze zijn wie ze zijn?

In mijn klas tracht ik mijn leerlingen duidelijk te maken (door ervaring, inzicht en begrip) dat wanneer ze alleen de verschillen zien, dat er nooit een brug geslagen kan worden naar overeenkomsten.

Het is natuurlijk heel nobel dat de VVD - samen met stichting Mama Vita - zich hard maakt voor deze bijzondere leerlingen! Jammer is dat in beginsel, in het taalgebruik en in de visie, alleen verschillen worden benoemd. Bijvoorbeeld de eerste zin op de site van Stichting Mama Vita:

Je bent moeder/verzorgster of professional van een prachtig, 
speciaal kind(eren) met diagnose …

Ik ben geen moeder en heb (nog) geen kind met een diagnose!? En wil ik dat eigenlijk wel? Komt het dan ook in een ‘speciale’ klas?

Zolang in de taal begrippen als speciale, reguliere en (on)gewone de overhand houden, zal uitsluiten onderdeel zijn van onze samenleving.

Natuurlijk, het is heel goed dat ouders een pact vormen en opkomen voor hun kinderen. Blijven doen! Maar mis je als ouders vaak niet de (volledige) kennis/binding om het ‘onderwijssysteem’ te doorgronden? En daarbij, als ik in een artikel zinnen lees als:  “…ze niet goed meekomen in gewone klassen…”, toont dat niet het aanstaande faillissement van ons onderwijssysteem (en samenleving) aan?

Dit is de realiteit. Schijnbaar. Het zit in deze omschrijvingen van probleemsituaties.

'ZIJ kunnen niet goed meekomen…'

Precies, het ligt bij de leerling! Zo zien we dat dus! Daarom zitten er natuurlijk ook zoveel leerlingen thuis. Nou ja, veel… Misschien procentueel niet. Maar voor mij is één leerling al te veel.

Mijn vraag: VOOR wie gaan WIJ het systeem veranderen? VOOR die leerlingen? Voor de scholen? Voor de ouders? Voor de samenleving?

Als het probleem vooral bij de leerling ligt, laten we dan met hen in gesprek gaan en de onderwijsomgeving samen aanpassen! Is dat realistisch? Ik denk het wel. Laten ‘we’ ze het eens ‘gewoon’ vragen!
Mijn eerste vraag zou zijn: ‘Waar en wanneer voel jij je prettig?
Volgens mij gaat het om het welbevinden van het kind. Maar wat houdt dat in? Dat het kind zich laat herkennen aan signalen van voldoening? Dat het geniet, deugd beleeft? Dat het kind ontspannen is, innerlijke rust toont, energie in zich voelt stromen en vitaliteit uitstraalt, open is en zich voor de omgeving toegankelijk opstelt, spontaniteit aan de dag legt en zichzelf is? Wanneer is zo’n moment?
Vervolgens zou ik willen vragen: ‘Waar zou jij graag naar school willen gaan?
Omgeving en groepsdynamiek spelen een belangrijke rol. Het gezin, de buurt, de school, de klas, vrienden. Zou de buurt waarin het kind woont, niet de ideale plek zijn om naar school te gaan? Zoals bijv. Cleves Primary School in London, een school waarin iedereen welkom is en veel activiteiten gedragen worden door ouders en buurt. Een mini-samenleving.
Het gaat in eerste instantie over het welbevinden en daar zijn leerlingen bij nodig. Geef hen dus medezeggenschap! Het sterkt het gevoel van eigen verantwoordelijkheid en stimuleert daarmee op een positieve wijze het eigen leer-, en ontwikkelproces. Ook goede relaties met de leerkracht en medeleerlingen hebben een positief effect op het welbevinden van een leerling. Is dit in het idee van VVD en Mama Vita meegenomen?
Een volgende vraag zou kunnen zijn: ‘Wat heb jij nodig?
Daarvoor heb je jezelf als leerkracht al afgevraagd hoe het kind nu eigenlijk precies denkt? Waarop en wanneer het ‘vastloopt’ in gedachten? Wat maakt dat het ‘blokkeert’ (intrinsiek/extrinsiek)? Je bent de relatie aangegaan met het kind, je hebt het gesprek gevoerd, geluisterd en er is wederzijds begrip. Je bent samen op zoek gegaan naar wat nodig is en vooral HOE een omgeving aangepast dient te worden. 
De nieuwe mindset kan zich vertalen in een stimulerende dagelijkse praktijk, in het zien van mogelijkheden, voorbij de functie van gedrag, taken of eisen die worden gesteld. Soms is een simpele aanpassing voldoende. Soms vraagt het een gezamenlijke inspanning: van het kind zelf, de leerkracht, de ouder, de school en/of de buurt.
Met andere woorden:

Ik weet niet of een aparte klas nu direct een duurzame oplossing is. Als het de visie ‘bonding and bridging’ van Putnam in zich draagt, zie ik mogelijkheden. En deze aanpak begint met ‘bonding’, het de verbinding en relatie aangaan. Maar ook het zien van overeenkomsten en (h)erkennen van talenten en (on)mogelijkheden zijn belangrijke richtingwijzers.

De uiteindelijke brug wordt mijn inziens geslagen met een werkelijk open mindset. Daarin zijn acceptatie en vertrouwen nodig om de HOE-vragen te verwezenlijken. En daarbij is de stem van de leerling een onmisbare schakel en zal er altijd buiten de lijntjes gekleurd moeten kunnen worden.

Tot slot: ontwikkeling heeft tijd nodig, dus wees geduldig…

#wordtvervolgd (...zeker na vandaag!)

Een vraag van Fanny, direct laat ik alles liggen!



Dinsdag, een dagje vrij om te studeren. In de namiddag hoor ik de ‘bleep’ van mijn Inbox. Een mail van Fanny, een spontane, leergierige leerling. We zouden op donderdag met de klas naar de bibliotheek gaan, een vrij eenvoudig uitstapje zou je denken…

"Hooi meneer Ronald, hier kan jij mij mee helpen: (het zijn vragen) waar is het. Welke bieb?, bij wie zit ik in de auto,en met wie. Wat gaan we doen. Hoe lang. Wie gaan er allemaal mee? als ik voel dat ik druk/boos wort waar moet ik dan heen. Hoe lang is het rijde. gelt afspraak is afspraak ook nu? Dat was het Gr. Fanny"

Een grote glimlach bedekt de helft van mijn gezicht. Ik word al vrolijk bij de gedachte dat zij durft te mailen en het lef heeft om de vragen te stellen waar zij letterlijk en figuurlijk mee zit!
Waar we als leraar vaak niet bij stilstaan zijn de hoeveelheid ‘brienlijnen’ en vragen waarmee leerlingen kunnen zitten. Fanny is dit schooljaar bij mij - in groep 6 - gestart; op een school voor speciaal onderwijs. Hiervoor zat zij op een reguliere basisschool. Daar liep ze vast. Ze kon en durfde niet duidelijk maken en uit te leggen wat ze dacht en voelde. Hierdoor ontstonden conflictsituaties en haar zelfbeeld kelderde naar een dieptepunt. Het label dyslexie gaf het laatste zetje. 
Haar ‘andere’ manier van denken voedt het stellen van vragen, vraagt om antwoorden, om het begrijpen van haar leefwereld en daarmee is de kans op spanningsopbouw groter. Het vinden van overzicht en verduidelijking start voor Fanny bij de betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de ander, dat om afstemming van haar omgeving vraagt. Van daaruit kan ze uiteindelijk zelf de stap zetten in die (vaak onduidelijke en met verborgen regels) chaotische samenleving.
Direct laat ik alles liggen en start ik met het beantwoorden van de vragen. Al snel kom ik erachter dat ik niet op alle vragen een antwoord heb. Een mail met ‘overige vragen’ gaat naar de bibliothecaresse en ik schrijf dit ook aan Fanny. Dezelfde dag nog ontvang ik een mail terug van ‘de bieb’ die ik uiteraard direct forward naar Fanny.

Op woensdagmiddag loopt Fanny samen met moeder langs de bibliotheek die we de dag erop aan zouden doen. Met de antwoorden op haar vragen in het hoofd vraagt ze aan haar moeder of ze alvast even mag gaan kijken. Op het moment dat ze daar binnenloopt, komen er weer een groot aantal vragen naar boven. Ze stelt ze samen met haar moeder. Het lucht haar zichtbaar op!

Donderdagochtend ervaart Fanny - in vergelijking met veel andere ochtenden in die week - een wereld van verschil. Ze staat rustig op en heeft zin in de dag. En ook ’s middags in de bibliotheek loopt het ontzettend goed. Dat was tijdens eerdere uitstapjes wel anders. Moeder vertelt: ‘Wat een hoop vragen heeft dit kind bij een eenvoudig uitstapje! Nu begrijp ik beter waarom het eerder steeds misging.’
Het ‘steeds misgaan’ - en vooral het gebrek aan begrijpen van gedrag – zorgt ervoor dat je als kind ‘afwijkt van het spoor’. En dat is volgens mij precies het punt waarop we als samenleving – als omgeving - meer mogen vertrouwen op ons innerlijk kompas. Openstaan voor vragen, het belang ervan zien, de kinderen waarnemen en volgen. Daardoor zal vaker duidelijk zijn wat de ander nodig heeft om in een context ‘anders’ te handelen. 
Door eigen waarden en motieven los te laten, jezelf te verplaatsen in die van de ander, is een belangrijke eerste stap (naar begrip) gezet.
Een bibliotheek staat vol boeken en antwoorden, informatie te over. En toch, ook deze donderdagmiddag heeft Fanny genoeg te vragen. Het is een onuitputtelijke zoektocht, die van haar omgeving stevigheid vraagt en soms energie vreet. Anderzijds is het voor dezelfde omgeving een prachtige leerschool in het volgen, voeden en zoeken naar wat nodig is en wat het beste werkt. Voor Fanny.

De samenleving eist eenheid en vergeet wel eens de diversiteit. Wellicht is Fanny de sleutel naar eenheid in diversiteit…